Faalangst-Cyril:

Par. 1 Wat is faalangst?
Faalangst, angst om te falen. Er zit een oordeel vast aan hetgene dat je moet doen. De gedachte aan dat oordeel belemmert je goede prestatie.
Je betwijfelt of je je wel genoeg voorbereiden kunt. Of je denkt dat het ondanks dat toch wel mislukt. En fatalistisch denken is bij faalangst olie op het vuur. Faalangst treedt op bij iets wat van je wordt verwacht. En ook bij iets waarbij je wordt beoordeeld. Voorbeelden: proefwerk op school, spreekbeurt, maar ook simpelweg het stellen van een vraag in de les.
Je voelt angst, die je tegenhoudt te presteren. Je presteert dan vaak minder dan je kunt.
En de daarmee wordt het geheel een martelgang.

Faalangst is GEEN aangeboren afwijking en kan dus ook weer verdwijnen, bijvoorbeeld door therapie. Hierdoor kan faalangst ook slechts in bepaalde situaties optreden. Het treft gewone kinderen en er zijn dus verder geen bijzondere eigenschappen aan deze kinderen te onderscheiden. Over samenvallen met andere stoornissen is geen literatuur gevonden.


Par. 2 Welke soorten faalangst zijn er?
Er bestaat sociale faalangst om op te treden voor een groep of op te komen voor jezelf. Sommigen hebben motorische faalangst (sport of bijv. tekenen).
Bij cognitieve faalangst gaat het om proefwerken e.d. waarbij het hoofd gebruikt moet worden. Vaak hebben mensen last van een combinatie.

Actieve en Passieve faalangst:
Vaak wordt nog gesproken in oudere termen: positieve en negatieve faalangst, gebaseerd op de waarneming of iemand wel of niet een prestatie positief afrond.
Beter is het (in navolging van de Vlaming Eric Depreeuw) te spreken van
actieve en passieve faalangst. Bij actieve faalangst werkt de leerling keihard om controle te krijgen. Soms werkt dat, vaak niet. Bij passieve faalangst is de leerling gestopt met al die inspanningen en ontloopt juist de evaluatie van het werk. Ze vergeten proefwerken, of worden vlak voor de toets ziek. Beginnen met het studeren is zwaar (dit is dus geen motivatieprobleem).

Par. 3 Waaraan kun je faalangst herkennen?
Uiterlijk aan zweten, rode kleur, vaak naar toilet, maag/buikpijn, snel ademen en een hoge hartslag.
In het gedrag aan verlegen en teruggetrokken gedrag.
De leerling verstopt zich achter een andere leerling wanneer de docent een vraag aan de hele klas stelt, of durft de leerkracht niet aan te kijken tijdens de uitleg
Maar ook aan agressiviteit of het spelen van de clown als het voor hen spannend wordt. Een negatief zelfbeeld. Niks aan zichzelf is goed. Enig succes komt door geluk of doordat het gemakkelijk was. Complimenten worden niet aangenomen. Tijdens proefwerken kan de leerling later dan anderen beginnen met de eerste opgave. Onrustig gedrag vertonen of vragenstellerig zijn.

Er zijn een aantal typen in gedrag te onderscheiden volgens
Poulie in haar boek “Meer zicht op faalangst”:
1.
Prestatietype; Werkt om een 10 te halen. Kenmerkend voor dit type kind is het zeer harde leren (thuis). Het kind besteedt veel tijd aan het leren van het huiswerk. Een dergelijk leren tot 10 doelstelling is slopend voor een kind
2.
Twijfeltype; Doemdenker, zucht en steunt. Als hij iets niet direct weet, is dat een logische bevestiging dat hij ook nooit wat weet. Heeft vaak zeer veel moeite om naar school te gaan, want daar is de angst, die plek moet vermeden worden.
3.
Overafhankelijke type; Leunt op de leerkracht. Vraagt steeds opnieuw uitleg. Als iets niet lukt, geeft hij direct anderen de schuld. Erkennen dat hij iets niet kan gebeurt bijna nooit. Leerling kan ook met leerkracht in wanhopige discussies gaan over een fout. Deze onzelfstandige wijze van werken roept gauw irritatie op bij de leerkracht. Het lijkt wel of deze kinderen weigeren te denken. Eigenlijk is dat ook zo. Zij vertrouwen hun denken niet. Daarom vragen zij zoveel.
4.
Overonafhankelijke type; Hulp vragen is voor deze leerling een nederlaag, wil ten koste van alles bewijzen dat hij wel kan. De leerkracht ziet de problemen (veel krassen, veel gummen, vaak opnieuw beginnen enz. ), maar mag niet ingrijpen. Zeer geregeld ontploft de leerling. In blinde woede gooit hij zijn werk weg en is dan heel boos op zichzelf.
5.
Isolatietype; Dit is een zorgelijk type. Heeft de moed opgegeven. Als hij moet presteren wordt hij alleen maar bang. Als hij niet presteert, wordt hij tenminste niet meer bang. Het slechte cijfer neemt hij dan op de koop toe. Verwar dit niet met motivatieproblemen, al lijkt het er erg op.
Par. 4 Waar ontstaat faalangst?
Ieder mens zit anders in elkaar. Bij geboorte ben je al uniek en zul je op jouw eigen manier reageren op gebeurtenissen in het leven. Daarnaast kan een negatieve gebeurtenis faalangst opwekken of versterken. Op zich is falen geen reden tot ontstaan van faalangst. Een kind dat veel zelfvertrouwen heeft, zal het falen als een incident beschouwen en zal de opmerkingen van de leerkracht en/of ouders op hun waarde schatten. Het gaat om de reactie van de omgeving (ouders, leerkracht en medeleerling) op de behaalde prestaties en in het bijzonder op falen. Lachen om een fout, boos worden omdat het kind een fout maakt of lachen als het kind een beurt krijgt, is niet goed voor het kind. Door regelmatig te falen en door voor het kind vervelende reacties kan het zelfvertrouwen aangetast worden. Dit gebrek aan zelfvertrouwen wordt op een gegeven moment het leidende principe van faalangst. Een faalangst die indien niets gebeurt steeds groter wordt.
Ook groeit faalangst in een omgeving waar vooral aandacht is voor presteren en voor wat er lukt (zonder dat daarvoor complimenten worden gegeven) en waar minder aandacht is voor de inzet die je daarvoor moet leveren. In die omgeving is vaak ook geen aandacht voor iets wat moeite kost en toch mislukt.

Par. 5 Dus het is weer de schuld van de ouders?
Ja en nee. Ouders hebben een belangrijke rol, zoals hiervoor al blijkt in het bepalen van de omgeving waarin het kind opgroeit. Maar zij zijn niet de enige in de wereld van het kind.
Onbedoeld geven de ouders bijvoorbeeld 'prestatie-boodschappen' aan het kind. Bijv. “Ik heb de middelbare school niet af kunnen maken”.
Ook kan het kind de druk voelen iets terug te moeten geven aan de ouder, omdat die altijd al zoveel “geeft”. Soms kan de ouder ook niet goed ontvangen en gaat het kind prestatiedruk voelen.
Soms neemt een kind taken of rollen op zich in een gezin, die niet bij zijn/haar leeftijd passen. Bijvoorbeeld moeder troosten bij gebrek aan vader. Zo'n kind krijgt daar meestal geen erkenning voor en dat heeft gevolgen voor de zelfrealisatie. Het legt een druk op het aangaan van betekenisvolle relaties buiten het gezin, en faalangst kan daar een uiting van zijn. Hierover valt meer te lezen in het boek 'Faalangst en ouders'.


Par. 6 Hoe pak je faalangst aan?
Op het moment van faalangstigheid kunnen lichamelijke ontspanningstechnieken helpen (spieren, ademhaling).
Beter is het te werken aan de basis van de faalangst. Hierbij wordt geoefend in andere denkpatronen, waarbij de 'niet-helpende' gedachten vervangen worden door 'helpende gedachten'. Leerlingen kunnen op school deelnemen aan een training in groepsverband, waarbij wordt geleerd beter met faalangst om te gaan.
(Meer lezen: zie boeken 'Succes met faalangst', 'Omgaan met prestatie-angst' en 'Omgaan met examenvrees')


Par. 7 Wat kan een school doen voor faalangstige kinderen?
Bij het introduceren van een faalangstreductietraining bij leerlingen moet eerst worden vastgesteld dat de ervaren angst situatiegebonden is (bv. proefwerken, spreekbeurten) en niet als persoonlijkheidstrek. Bovendien is het noodzaak dat de leerling faalangst als een probleem erkent en gemotiveerd is om te werken aan het leren omgaan met spanning.
Bij stagnerende leerlingen wordt dus eerst door de school onderzocht waar de oorzaak van het probleem zit. Er zijn goede vragenlijsten die scholen hiermee op weg kunnen helpen. Zoals de SVL (uitgeverij Swets), de VSV (KPC Groep), de ETAV (uitgeverij Swets) en de SSAT (CPS). Onderschat echter niet de kracht van het gesprek, waarin nog meer informatie doorkomt via intonatie en lichaamstaal. Ga dus altijd met de leerling in gesprek en kijk naar haar motivatie om te leren omgaan met zenuwen.
Inmiddels biedt 80% van alle Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs een faalangsttraining aan. Hierdoor is het voor iedere mentor mogelijk een faalangstige leerling op te vangen en te verwijzen naar gespecialiseerde faalangsttrainers in school.
Ook de interne begeleiders van basisscholen hebben deskundigheid rond faalangst opgebouwd en werken rond dit onderwerp vaak samen met de regionale onderwijsbegeleidingsdienst. (Meer lezen: zie boeken 'Succes met faalangst', 'Handboek faalangsttraining' en 'Faalangst aan de start')

Par. 8 Tips voor Docenten & School

Pas je manier van klassenmanagement en lesgeven aan aan de faalangstige leerling, zodat deze zelfvertrouwen op kan bouwen en uit de vicieuze cirkel van de faalangst kan stappen (is voor iedereen goed en het voorkomt dat je ongewild faalangst induceert bij daarvoor gevoelige kinderen).

Faalangst kan heel vak- of plaats- of docentspecifiek zijn, , maar het kan zich uitbreiden naar andere aspecten van school. Snel ingrijpen bij een zich ontwikkelende faalangst is dus belangrijk. en als docent heb je daar veel invloed op, zowel in positieve als in negatieve zin.
· WEL DOEN:
· Geef structuur, zekerheid, houvast, veiligheid.
· Geef de lesstof bijtijds op schrift op, schep duidelijkheid over de gewenste vorm en uitvoering van opdrachten, de beoordeling, cijfervaststelling etc.
· Verdeel opdrachten in kleinere meetbare stappen.
· Geef tijdens de uitleg samenvattingen zodat de leerling greep houdt op het geheel.
· Geef apart extra uitleg voor wie wil, evt ook extra voorbeelden of extra hulpmiddelen.
· Maak proefwerken toegankelijk door uitleg: wat te leren, hoe te leren en geef eventueel oefenproefwerken waarvan het cijfer dus niet meetelt
· Geef de leerlingen ruim de tijd en biedt herkansingsmogelijkheden.
· Heb geheel positieve verwachtingen over het kind, dat stimuleert het kind. Straal dat ook uit in de klas als voorbeeld.
· Laat zien dat je niet alles perfect hoeft te kennen en/of kunnen. Fouten maken mag!
· Geef regelmatig duidelijke positieve feedback, vertel wat goed ging, wees positief over wat mis ging. Gebruik gewone woorden en zinnen, verklein de afstand. Vertel ook waarom iets goed of fout is.
· Zorg dat de leerling successen kan boeken door het aanpassen van het niveau, het tempo, de inhoud van de opdracht. Leer het kind positieve dingen over zichzelf te zeggen.
· Vraag hoe het kind iets doet, zodat je bij kunt sturen. Help evt. met een studieschema te maken, alles in kleine stapjes op te delen
· Stel reële eisen. De leerling stelt zichzelf vermoedelijk al te hoge eisen. Doe daar als docent niet aan mee, want elke teleurstelling is voor de leerling het bewijs dat hij het inderdaad niet kan. Zorg dat de leerling succes kan behalen met kleine en grote dingen.
· Oefen met toetsprognoses, het schatten van cijfers vooraf, zodat de leerling reëel naar zichzelf kan gaan kijken. Dit kan ik wel, dat kan ik (nog) niet. Overleg met de leerling wat zíjn (reëel haalbare) doel is en wees vol lof als dat gehaald wordt.
· Geef vrijblijvende toetsen zonder beoordeling en bedoeld voor feedback. Dit kan gezamenlijk in de klas worden nagekeken.
· Verander opmerkingen van leerlingen in positieve richting (“Dat lukt me nooit” wordt dan “Ik heb er alles aan gedaan dus de kans is groot ..., dus als het nu niet gaat dan pech.”).
· NIET DOEN:
· Geef geen onverwachte proefwerken of beurten.
· Niet boos kijken of boos praten.
· Geen dingen zeggen als ..."Je hebt het niet geleerd", want dat weet je niet.
· Zeg ook niet: "Je zit niet op te letten", als een leerling een vraag niet meteen kan beantwoorden. Zij kan het ook gewoon niet weten.
· Lachen of boos worden om een fout, of lachen als het kind een beurt krijgt, is niet goed.
· Niet goed is: enkel aandacht geven aan de prestatie en aan wat er lukt, zonder dat daarvoor complimenten worden gegeven.
· Niet goed is: weinig aandacht geven aan de inzet die geleverd is voor de prestatie.
· Niet goed is: geen aandacht besteden aan iets wat moeite kost en toch mislukt.

Bronnen:
http://www.faalangst.nl/opschool.html
http://www.digischool.nl/llbeg/counsel/Faalangst/tips_voor_docenten.htm
http://www.opdc-zodrenthe.nl/faalangst.htm

J. De Bree - Gedrags- en werkhoudingsproblemen / zorgverbreding ECNO
boek: door
Poulie: “Meer zicht op faalangst”
boek: Lefgasten, hfst 1 en 3