SYNDROOM VAN ASPERGER

Het Asperger Syndroom is een ontwikkelingsstoornis dat verwant is aan autisme.
Een hersenafwijking zou hiervan de oorzaak kunnen zijn.
Het syndroom is door de Oostenrijkse kinderarts en psychiater Dr. Hans Asperger beschreven. Hij kreeg tijdens zijn werk te maken met kinderen die over een goede intelligentie beschikten. Deze kinderen vielen op door afwijkend gedrag. Hij merkte een gedragspatroon en een patroon van bepaalde vaardigheden op die hij omschreef met de term autistische psychopathie.
Ouders en leraren ondervonden problemen in de opvoeding van kinderen met het Syndroom van Asperger. De communicatie verliep zeer moeizaam en veel dingen werden niet of verkeerd begrepen.
Het socialisatie proces verliep ook problematisch. De kinderen leken zich niet in te kunnen leven in de gevoelens van anderen.
Non-verbale uitingen werden niet opgepikt of de boodschap werd niet begrepen. Grapjes werden alleen begrepen wanneer ze stap voor stap werden uitgelegd en gevoel voor humor leek niet te bestaan.
Verder viel het Hans Asperger op dat sommige van dit soort kinderen over een bepaald terrein uitzonderlijke talenten beschikten.
De stoornis veroorzaakt belangrijke beperkingen in het sociaal en schoolse functioneren.


Lorna Wing

De Engelse autismedeskundige Lorna Wing vestigde in 1981 de aandacht op de beschrijving van Hans Asperger. Zij gebruikte als eerste de term Het Syndroom van Asperger in een artikel dat ze schreef. Ze bracht deze in verband met haar eigen onderzoek en concludeerde dat de kenmerken die Asperger beschreef, ondergebracht konden worden in drie categorieën: sociale interactie (relaties), sociale communicatie en sociaal voorstellingsvermogen (verbeelding).
Later introduceerde Lorna Wing de term autisme spectrum stoornissen (ASS). In Nederland gebruiken we zowel ASS als PDD (pervasieve ontwikkelingsstoornissen) om deze varianten van autistische stoornissen te beschrijven. Ook is de diagnose ‘Syndroom van Asperger’, meer ingeburgerd geraakt.
Naast PDD is er ook de term PDD-NOS. Hiermee wordt de groep aangeduid die wel een aantal kenmerken van autisme heeft, maar niet aan het complete beeld voldoet.


Overeenkomsten en verschillen tussen autisme en Asperger

Twee belangrijke overeenkomsten tussen mensen met klassiek autisme en het Asperger syndroom:
  • Problemen met de sociale communicatie
  • Beperkte interessegebieden en herhalingsgedrag

De twee grote verschillen zijn:
  • Bij het Asperger syndroom is het IQ ten minste gemiddeld en er is geen sprake van een vertraagde taalontwikkeling
  • Bij klassiek autisme (en PDD-NOS) is ieder IQ-niveau mogelijk en is er wel sprake van een vertraagde taalontwikkeling.

(Ref: “Autisme en Aspergersyndroom: de stand van zaken. “Simon Baron-Cohen. Uitgeverij Nieuwezijds Amsterdam 2009. ISBN 978 90 5712 2835)


Enkele vaak voorkomende kenmerken van het Syndroom van Asperger:
  • het onvermogen om sociale interactie te begrijpen, mogelijk slachtoffer zijn van pesterijen dat kan leiden tot sociaal isolement;
  • wil het liefst dat de dingen via vaste duidelijke patronen verlopen;
  • het niet begrijpen van non-verbale signalen en daar dus ook niet adequaat op reageren;
  • gebrek aan inlevingsvermogen
  • moeite met het onderhouden en aangaan van vriendschappen en contacten;
  • moeite met het verwerken van veel zintuiglijke prikkels tegelijkertijd (geluiden, geuren, herrie, drukte, enz.);
  • concentratieproblemen, moeite hebben om in en met een groep te werken;
  • houterige motoriek en coordinatieproblemen;
  • grapje, beeldspraak en uitdrukkingen worden vaak letterlijk genomen, waardoor veel misverstanden ontstaan;
  • kan met moeite de eigen emoties uitdrukken en kan met moeite de emoties van anderen interpreteren. De gevoelens van anderen worden niet begrepen;
  • zich afsluiten van de buitenwereld;
  • een overdreven grote belangstelling of interesses die afwijkend zijn in intensiteit of soort;
  • opvallen taalgebruik, grote woordenschat; komt daardoor hooghartig, eigenwijs bij anderen over.


Omgang:
  • werk vanuit een duidelijke, voorspelbare structuur; vermijd zoveel mogelijk plotselinge, onverwachte veranderingen en activiteiten; bereid de leerling tijdig op veranderingen voor en leg uit waarom er een verandering is;
  • schep een prikkelarme omgeving;
  • oefen de sociale vaardigheden en leg ook uit waarom de dingen gaan zoals ze gaan. De leerling zal vaak niet begrijpen hoe sociale processen verlopen, maar kan zich via training wel bepaald gewenst gedrag eigen maken;
  • houd er rekening mee met de beperkingen van de fijne motoriek;
  • aan medeleerlingen en collega’s uitleggen wat de handicap inhoudt en hoe men er rekening mee kan houden, kweek begrip;
  • houd er in het taalgebruik rekening mee, dat de leerling de neiging heeft alles wat gezegd wordt letterlijk te nemen;
  • check steeds weer of de leerling de instructie begrepen heeft, visualiseer desnoods de instructie met tekeningen en stappenplannen.



Bronvermelding:

“Het Aspergersyndroom: Autisme in het regulier en speciaal onderwijs. Praktische gids voor leraren en begeleiders”. Theo Peeters en Gery Quak. Fontys-OSO-Reeks, nr. 4. ISBN 90-441-1281-3.

“Ongewild lastig in de puberteit en adolescentie. Inzicht in veelvoorkomende (ontwikkelings)stoornissen bij kinderen”. Monique Baard et al. Uitgeverij Pica.
ISBN 9789077671115.

“Praktijkgerichte ontwikkelingspsychologie. Van wieg tot hangplek: de ontwikkeling van 0- tot 18-jarigen”. Marjan de Bil en Petra de Bil. Uitgeverij Nelissen.
ISBN 978-90-244-1736-0.

www.balansdigitaal.nl
www.syndroomvanasperger.nl
www.autisme-asperger.startpagina.nl